‘Alles komt goed. Alles komt goed. Je gaat het overleven. Je gaat het overleven.’ (14/40)
Deze scène heb je al honderden keren gezien in talloze films en series.
Iemand ligt gewond op de grond door een zwaard, een kogel of een speer. De hoofdpersoon gaat door de knieën, houdt het hoofd vast, drukt met de handen op de wond en zegt:
‘Alles komt goed. Alles komt goed. Je gaat het overleven. Je gaat het overleven.’
En vervolgens sterft het slachtoffer in de armen van de held.
WTF is dit voor levensles?
Bij Bureau Rotterdam en Bureau Utrecht en alle andere varianten waar Ewout op pad gaat met politieagenten gebeuren er ook dit soort scènes.
Iemand bloedt hevig door een schotwond of een aanrijding. De politie verleent eerste hulp tot de ambulance komt.
Ze zeggen niet: ‘Alles komt goed’. Ze zeggen: ‘De ambulance komt eraan’ en ‘Knijp eens in mijn hand’ en ‘We leggen je in de stabiele zijligging’ en ‘Kijk naar mij’.
Maar goed.
De film wil drama creëren. Het wil wanhoop laten zien. Verdriet overbrengen.
Maar toch. Het ergert me.
Omdat het geen goede metafoor is voor als het leven een tragische wending neemt. ‘Alles komt goed.’
Nee.
Niet alles komt goed.
Maar je vindt altijd wel een weg.
Wat je ook overkomt.
Waar je ook doorheen gaat.
Wat je ook voelt.
Je vindt een manier om met de nieuwe realiteit om te gaan. Het punt is meer dat je nu niet weet hoe dat gaat zijn.
Dat weet niemand.
Want wat raken we echt kwijt? En wat krijgen we ervoor terug?
Daarom raakt deze passage uit het korte verhaal ‘Pool Night’ van Amy Hempel (1951) me zo.
Ze schrijft dat ze weet dat huizen in de brand vliegen. En dat het verstandig is om van tevoren na te denken over wat je uit je huis zou redden als dat zou gebeuren.
Niet omdat, in the heat of the moment, alles even dierbaar lijkt. Maar omdat niets er echt meer toe doet. Zelfs niet je eigen leven.
Dat is wat voor mij een depressie is.
Niets lijkt er meer toe te doen. Zelfs niet je eigen leven.
Helaas weet ik ook hoe het voelt om alles kwijt te raken door een brand. En daarom kan ik je vertellen dat Amy de diep menselijke psyche heel goed begrijpt.
Je denkt dat al je spullen iets betekenen voor je, die in je huis staan. Van foto’s tot kastjes tot de tv tot je wekker. Maar op het moment dat alles in as is opgegaan, is dat een nieuwe realiteit waarin je je snel aanpast.
Het is jammer, maar niet zo heftig als je van tevoren dacht.
Het is weg.
Ze zegt ook in ‘Pool Night’:
I thought the present was the safer bet.
We can only die in the future, I thought, right now we are always alive.
Dit is zo goed geformuleerd.
Als je huis in de fik staat, gaan je spullen je niet meer redden. De toekomst gaat je niet eens redden. In een fractie van een seconde snap je de illusies van bezit en ego en toekomst.
Het enige wat je hebt is ‘nu’. En de enige beslissing die je kunt nemen is jezelf in veiligheid brengen. En als dat niet lukt, je laten redden. Op hoop van zegen.
Dat gaat best moeilijk als je bloedend op de grond ligt, metaforisch gesproken.
Maar ik heb toch liever dat je me vertelt dat je mijn wond dichtdrukt en een tourniquet om mijn been bindt en 112 hebt gebeld en dat ze zo komen. Dan dat je me vertelt dat in de toekomst alles goed komt.
Want om heel eerlijk te zijn: dat soort zinnen zijn geen troost. Ze zijn een manier om zelf niet te hoeven voelen hoe machteloos de situatie nu is.
Sentiment is een manier om weg te kijken van machteloosheid.
Ik zou zeggen: kijk de machteloosheid recht in de ogen en handel.
liefs,
tomson