Je hoeft niet altijd plezier te hebben op een feestje. Je aanwezigheid is voldoende. (16/40)
Er is iets in mijn leven geslopen wat weigert te vertrekken.
En dan kom je op een punt dat je niet meer weet of het altijd al, in een zekere vorm, aanwezig was of niet.
Anticipatieangst.
De angst dat je angst gaat hebben op de plek waar je naartoe gaat.
Het bederft een hoop, kan ik je vertellen.
Voorpret ken ik niet meer. Wel voor-angst.
Altijd scenario’s over hoe het gaat escaleren op de meest negatieve manier. Leuk is anders. Maar thuisblijven is stommer.
Want dat is toegeven aan je angst. En als je toegeeft aan je angst, bevestig je je angst. En als je het bevestigt, kom je er nooit meer vanaf en dan wordt het leven klein en ondraaglijk en saai.
Conclusie: gaan is belangrijker dan thuisblijven.
==
Het ding met anticipatieangst is dat je op het feestje bent en de angst zich verplaatst naar een ander scenario in de toekomst. Namelijk de terugreis.
Het is dodelijk vermoeiend.
Genieten is onmogelijk.
Iedereen heeft plezier (lijkt het). En ik sta daar met mijn plastic bekertje met lauwe witte wijn erin te glimlachen, terwijl het voelt alsof ik op een begrafenis ben.
Maar. Ik ben er. Ik heb mijn gezicht laten zien. Ik heb wat gesprekken aangeknoopt. Mijn lijf volledig blootgesteld aan angstprikkels. Mijn geest laten merken: zat je je hier druk om te maken?
==
Er is zo’n misvatting dat je altijd plezier moet hebben in het leven.
Want als je niet altijd plezier hebt, heb je er dan wel het maximale uitgehaald?
Ik heb het dus vaak achteraf.
Dan kom ik ’s avonds laat terug van een feestje. De ene schoen uitwippen met de neus van de andere schoen. Lampje aanklikken, glas met water vullen, op de punt van de bank zitten en me dan beseffen dat ik me weer te introvert heb gedragen.
Er viel zoveel meer uit de mensen te halen die er waren. Diepere gesprekken. Grappigere gesprekken. Maar nee. Ik knikte met een rood plastic bekertje witte wijn in mijn hand. Te luisteren naar een kennis die elke vrouw die in een jurk voorbij kwam van commentaar voorzag met: ‘als ik vrijgezel was geweest, dan…’
Heb ik wel genoeg genoten? Of me gewoon alleen vreselijk misdragen bij het schaaltje pinda’s? Niets overlaten voor anderen. Gewoon sneaky via de palm van mijn hand een voor een in mijn mond laten vallen. Elke keer een klein beetje meer uit het schaaltje schrapen. Tot het leeg is. Om de volgende dag nog steeds de kruiden van de pinda’s aan je vingertoppen te ruiken.
Een vriendin mailde me laatst:
‘Ik ben nooit bang geweest om dood te gaan, ik ben voortdurend bang niet mijn leven te hebben geleefd.’
Dat triggerde me uiteraard te heftig. Dus stuurde ik terug: ik snap nooit de angst om niet voldoende geleefd te hebben. Omdat je nooit genoeg kunt leven. Je zult altijd teleurgesteld zijn. Elke keuze die we maken, is het uitsluiten van andere ervaringen. Het is nooit genoeg, leven.’
Ze antwoordde met: ‘Let wel: ik heb geen angst om niet geleefd te hebben. Ik ben bang mijn eigen leven niet geleefd te hebben. Dat wat in mij huist niet tot uiting te hebben kunnen brengen. Te veel andere levens te leven die niet van mij zijn.’
Wat een nuance.
==
We weten dat veel dingen goed zijn om te doen, zonder dat we er per se van genieten.
Zoals naar een begrafenis gaan.
Een vriend zat te klagen over de begrafenis van een ver familielid dat hij nauwelijks kende. ‘Weer de zoveelste begrafenis dit jaar. Het trekt me leeg. Ik heb er geen zin meer in.’
Het ontstak bij mij ergernis: ‘je gaat er toch niet heen om het naar je zin te hebben? Je bent er om je ouders te steunen. Om samen te komen. Om bij een geleefd leven stil te staan. Om te rouwen. Om afscheid te nemen. Om verbinding te voelen met je familie. Het hele punt van een begrafenis is juist het tegenovergestelde van genieten.’
Hij keek me aan en knikte.
‘Fuck dat, tomson,’ zei hij, ‘op mijn begrafenis gaan de dopjes van de bierflesjes af en gaat de discobal schitteren.’
Ik keek hem sprakeloos aan. Om daarna in nog meer frustratie te zeggen: ‘ik ga echt niet het leven vieren als ik intens verdrietig ben dat ik jou ben verloren.’
‘Zuurpruim,’ antwoordde hij.
==
Ik denk dat de hedendaagse obsessie met genieten een manier is om onszelf te ontslaan van aanwezigheid.
- Als iets niet leuk is, blijven we weg.
- Als we ons vervelen, pakken we de telefoon erbij.
- Als het ook stomme gevoelens geeft, trekken we ons terug.
- Als het ons uitput, noemen we het ongezond.
- Als het pijn doet, zoeken we afleiding.
- Als we onszelf te veel tegenkomen, zeggen we dat het niet bij ons past.
- Als het te veel vraagt, noemen we het grenzen stellen.
Ik ben niet anti-plezier. Ik ben anti de verwachting dat je altijd plezier moet hebben.
Het leven vraagt om je aanwezigheid. Zoals op visite bij je schoonouders, naar een begrafenis, naar de sportschool, naar werk.
Genieten is een bijproduct.
Het overkomt je.
Het is geen maatstaf voor of je maximaal geleefd hebt.
De maatstaf moet zijn of je maximaal aanwezig was op de momenten dat het ertoe deed.
Zoals een oude vrouw die ik laatst in de supermarkt sprak, toen ze al zittend aan het uithijgen was op haar rollator. Het probleem was niet dat de kleinkinderen niet meer kwamen. Het probleem was dat ze allemaal op haar bank naar hun schermpjes zaten te kijken. Inclusief haar eigen kinderen.
Tja.
We zeggen dat we druk zijn en te weinig tijd hebben. Om te lezen, om te schrijven, om kleding te maken, om te genieten.
Maar laat me je schermtijd op je telefoon zien en ik geef je het antwoord waar je een uur op de dag mee kunt winnen.
Ga het als een spel zien.
Je hoeft niet altijd plezier te hebben op een feestje. Je aanwezigheid is voldoende. Sterker nog: aanwezig zijn is voldoende.
liefs,
tomson